Door JAN LIBBENGA
De bekende Nederlandse veldbioloog, natuurpropagandist, schrijver en vertaler van een groot aantal natuurboeken Rinke Tolman trok juni 1938 van Amersfoort via Zwolle en Hoogeveen per trein naar Assen en vandaar bracht de bus hem naar Veenhuizen: het uitgangspunt voor een driedaagse natuurhistorische verkenningstocht in het Fries-Drentse grensgebied.
In ornithologisch opzicht was al dadelijk het Esmeer belangwekkend: de meest uiteenlopende vogels zwommen daar of lagen rustig te soezen op de spiegel van de plas: de futenfamilie was door niet minder dan drie soorten vertegenwoordigd.
Het gebied van Veenhuizen en omgeving staat als zeer adderrijk bekend en de auteur achtte het dan ook geraden 'onze benen met afwerende leren kappen, waar de reptielen niet doorheen zouden kunnen bijten, te beschermen'.
Wat vooral de aandacht trok, waren de talrijke vliegfiguren van de zwartgekopte kapmeeuwen, die in zeer groten getale in een dichter bij de weg gelegen plas broedden. De kokken hadden nog eieren, maar in de plas dreven ook reeds, als hoog op het water liggende speelgoedbootjes, tal van jongen in allerlei stadia van ontwikkeling.
De tocht ging ook langs de visrijke, o.a. door bloeiende valeriaan omzoomde, kanalen: één der beambten van Veenhuizen ving in twee jaren tijds met de hengel onderscheidenlijk 66 en 55 snoeken, waaronder 'geweldige knapen'.
Het indrukwekkendst was inmiddels de tocht van Veenhuizen naar Fochteloo: een hoogveengebied van een meeslepende schoonheid. 'Hoe is het mogelijk overwogen wij dat in deze volgebouwde wereld nog zulke sterk tot de verbeelding sprekende eindeloosheden bestaan. Hoe ver waren in dit gezegende gebied, dat alleen aan de vogels scheen toe te behoren, de kimmen. Welk een land van rust en vrijheid! Hier en daar was de gestoken lange turf hoog opgestapeld, maar het overgrote deel van het terrein was nog volkomen ongerept. Knie- en heuphoog groeide er de calluna, de dopheide bloeide met fijne, rose urntjes, er strekten zich geweldige, door een bepaalde mierensoort talrijk bewoonde, sphagnumvelden uit en een verrassing was het tussen de genoemde vegetatie hier en daar ook kraaiheide en veenbes tegen te komen.'
Boven de wijde domeinen van Fochteloo stonden niet alleen torenvalken te bidden en jodelden zonder ophouden de langgesnavelde wulpen, maar zweefden ook majestueus verschillende asgrauwe kiekendieven: bruine, lichtgestuite wijfjes en blauwgrijze mannetjes.
Conclusie: wie de moeite neemt naar Veenhuizen zelf te gaan, stelt tot zijn buitengewoon grote verrassing vast, dat er zeer uniek natuurschoon valt te bewonderen.

Reacties
Een reactie posten