Veenhuizen op de schop

Direct na de Tweede Wereldoorlog ging het gevangeniswezen op de schop. Nu veel Nederlanders tijdens de oorlog zelf lijfelijk het gevangenisleven hadden ondergaan, was men tot de conclusie gekomen dat het zo niet langer kon. De detentie moest vooral humaner. 

Door JAN LIBBENGA 

Hoofdredacteur Nico Muller van het Maandblad voor Berechting en Reclassering legde de nadruk op de noodzaak van gezamenlijke arbeid overdag en cellulaire opsluiting in de avond. Meer en meer gold de opvatting dat een leven in eenzaamheid een onnatuurlijk leven was, met blijvende psychische schade als gevolg.

Grondgedachte was om de gedetineerde als mogelijk beter mens weer in de maatschappij terug te laten keren. De hoofdpunten van de commissie – afschaffing van de traditionele cellulaire opsluiting, verregaande differentiatie van de gestichten en veel betere selectie van gevangenen – werden vrijwel unaniem opgenomen in de Beginselenwet. Als criteria van differentiatie werden bijvoorbeeld genoemd de leeftijd en het geslacht van de gedetineerden, de straftijd en of gevangenen al dan niet tot de beroeps- of gewoontemisdadigers gerekend moesten worden. Ook de cel zelf zou verbeterd worden. Dat moest bij voorkeur een kamertje worden waar de gedetineerde zich ‘waarlijk thuis kan gevoelen’. 

De commissie Fick kwam in 1947 met een een rapport vol aanbevelingen. Daarin kreeg Veenhuizen, met verreweg de grootste gevangenisbevolking van ons land, extra aandacht. 

Wilde Veenhuizen beantwoorden aan de zeer hoge eisen, dan was een ingrijpende reorganisatie niet te vermijden, vond de commissie. De verschillende gestichten dienden elk een speciaal voor dat gesticht geschikte, eigen directie te hebben, die een grote mate van zelfstandigheid zou gaan bezitten. De positie van de Hoofddirecteur zou hierdoor geheel komen te veranderen. Die zou de centrale leiding van de arbeid, de landbouw en de bewaking krijgen en worden belast met de centrale administratie, de centrale comptabiliteit en de huishoudelijke dienst.

De commissie adviseerde: 'In het Veenhuizen der toekomst zullen de onderscheiden gestichten een grote mate van zelfstandigheid moeten hebben onder leiding van nagenoeg zelfstandige directeuren. De beoogde individualisering kan juist in Veenhuizen zeer goed worden doorgevoerd. Men denke aan de mogelijkheid om op het Veenhuizer terrein kleine complexen tot stand te brengen, wellicht in aansluiting aan enige van de achttien boerderijen.'

De commissie drong ook aan om de verwijdering ban verpleegden. 'Te zeer drukken deze ook thans nog een zeker stempel op Veenhuizen, dat toch al reeds historisch door deze groep belast is.'

Veenhuizen behoorde volgens de commissie een groot, modern gevangeniscomplex te worden; geen kolonie voor de verpleging van bepaalde groepen min of meer geestelijk en/of lichamelijk invalide asocialen. 

Sommigen zou een onderkomen kunnen vinden in inrichtingen voor ouden van dagen, landkolonies, inrichtingen van het Leger des Heils. 'Het verdient dan ook aanbeveling om al diegenen onder de verpleegden ten aanzien van wie nog enige hoop op hun reclassabiliteit gekoesterd mag worden, op te nemen in een kamp, waar het regime speciaal op heropvoeding gericht is. Diegenen die menselijkerwijze geen kans op maatschappelijk herstel te zien geven, zullen eveneens in een kamp dienen te worden ondergebracht, waar het regime niet voor alles op heropvoeding gericht is, doch veeleer dat der 'bewaring' zal naderen.'

Alsof het de lancering van een merk betrof werd onder de noemer Kwartet van Norg in 1949 een heel nieuw Veenhuizen gepresenteerd. Norgerhaven werd een jeugdgevangenis voor jonge mannen van achttien tot dertig jaar, ook wel ‘gunstige jeugdigen’ genoemd. Esserheem zou de werkinrichting voor politieke delinquenten worden. Bergveen zou een open gesticht worden voor Tribunaal veroordeelden (Nederlanders die zich onvaderlandslievend hadden gedragen) en Bankenbosch voor IndiĆ«-deserteurs.

Meer over Veenhuizen in de hernieuwde editie van  het boek Paupers & Boeven     

Reacties