Reislustige meester-oplichter

Hij wist vermomd als de journalist Bernard Puttman door te dringen tot de hoogste autoriteiten. President Roosevelt, oud-president Herbert Hoover, Europese staatslieden als Mussolini, Albert Lebrun, Pacelli en verscheidene anderen lieten hun handtekening in zijn geschriften achter. Maar het avontuurlijke leven van de Fries Pieter Jaarsma eindigde plotsklaps in Veenhuizen.

Door JAN LIBBENGA

Pieter Jaarsma wordt op 1 augustus 1900 geboren in Dokkum, maar hij is nog geen tien als het gezin naar Rotterdam verhuist. Al op veertienjarige leeftijd wordt hij bordenwasser in het hotel van de heer Rotgans. Mogelijk heeft Pieter vaak aan de kade gestaan van de Holland Amerika Lijn, die een vaste route verzorgde naar het beloofde land, de Verenigde Staten. Hij is amper zestien als hij in 2016 zijn geluk beproeft in New York.  

Over zijn eerste jaren daar is weinig bekend. Familie en vrienden horen niets meer van hem en beschouwen hem als verloren. Als volwassene leidt hij er uiteindelijk een leven van een avonturier, die het vertrouwen weet te winnen van tal van autoriteiten en filmsterren, die handtekeningen krijgt van staatshoofden en andere hoogwaardigheidsbekleders. Zo zal het niet begonnen zijn. Pieter keert nog regelmatig terug naar het vaderland. In 1919 is Jaarsma in Nederland al driemaal wegens oplichtingen tot in totaal negen maanden gevangenisstraf veroordeeld. 

Kort na afloop van de Olympische Spelen in 1932 heeft Jaarsma zich naar Europa ingescheept. In december 1932 zoekt hij het hotel op dat hem twintig jaren geleden als bordenwasser heeft gekend. De eigenaar is overleden, zijn zoon is hem opgevolgd. 'Jullie kent me zeker niet meer', begint hij het gesprek. De keurig geklede Pieter spreekt met een Engels accent, maar heeft nog dezelfde x=benen. 

Pieter wordt als een bloedverwant in de familie opgenomen. Maandenlang woont hij in het hotel van Rotgans, waar hij de beste verzorging geniet. Ook vertelt hij uitvoerig van zijn avontuurlijk leven. Zo zou hij correspondent zijn geweest van het dagblad Nieuws van de Dag en de Olympische Spelen te Los Angeles hebben verslagen. Hij aarzelt niet met bewijzen zijn beweringen waar te maken. 

Maar dan moet hij dringend voor een onderhoud met de naar Griekenland uitgeweken Amerikaanse bankier Insull, die betrokken zou zijn bij een uitleveringsconflict tussen de Verenigde Staten en Griekenland. De echtgenote van de hotelhouder schiet hem 200 gulden voor. 

In oktober 1933 bezoekt Jaarsma in gezelschap van de echtgenote van Rotgans en nog enige familieleden een bioscoop. Na een half uurtje verwijdert hij zich even en keert niet meer terug. Nog diezelfde avond ontdekt de hotelhouder dat 1000 gulden en een schrijfmachine zijn gestolen, dat Pieter nog een groot bedrag aan kamerhuur en maaltijden schuldig is, terwijl zijn koffers van zijn kamer zijn gehaald. Onmiddellijk wordt aangifte gedaan bij de politie.

De politie informeert eerst bij toneelspeler De Winter in de Asterstraat waar Pieter nogal eens verbleef. Hij blijkt daar te zijn vertrokken, maar zijn mooi beplakte koffers heeft hij achtergelaten. De politie concludeert dat zijn relaties in Amerika niet louter opschepperij zijn geweest. Door zich voor te doen als de journalist Bernard Puttman (geboren 8 mei 1906 te Chicago) weet Jaarsma door te dringen tot de hoogste autoriteiten in Amerika. 

De politie vindt foto's waarop Pieter staat afgebeeld met bekende filmacteurs als Douglas Fairbanks en Mary Pickford, Claudette Colbert, Erich von Stroheim, Clive Brook en voorts vele foto's met opdrachten o.a. van Mariene Dietrich, Jeannett MacDonald, Sylvia Sydney, Maurice Chevalier, Charley Chaplin en Harold Lloyd. Er wordt ook een boek aangetroffen, Seals of Peace gedoopt, waarin de handrekeningen en lakstempels van vrijwel alle gouverneurs van Amerika staan, van de toenmalige president Herbert Hoover, de huidige president Franklin Roosevelt, van de secretaris van Staat in Amerika, van president Lebrun, van Herriot, van Mussolini en van kardinaal Pacelli, de secretaris van het Vaticaan. 

Gereserveerd zijn bladzijden voor de koning van Belgiƫ, de prins van Wales en Jimmy Walker, de burgemeester van New York. In hoeverre de aanbevelingen authentiek zijn is lastig uit te maken. Putnam heeft vele van deze introducties en aanbevelingen weten te verkrijgen met de bewering dat hij van plan was het album aan H. M. de Koningin aan te bieden.

Eerst gebruikt hij de naam van Hendrik Bol. In Cuba weet hij zich bij een zekere familie Putnam in te dringen. Daar hij Putnam mooier vindt dan Bol, noemt hij zich voortaan Putnam en weet in San Francisco ook een pas op die naam te krijgen. Daarmee kan hij meerdere oplichtingen plegen. Ook maakt hij zich aan vele diefstallen schuldig. In Utah wordt hij veroordeeld wegens het verkopen van onzedelijke prenten.

Op verzoek van de politie publiceren kranten het signalement van Pieter Jaarsma, alias Bemard Putnam, alias Harold A. Putnam, ingenieur te Chicago, alias J. Jansma. Lengte 1.82 meter, mager postuur, bleke kleur, mager en ziekelijk gezicht, glad geschoren, dik, zwart haar met scheiding links, bruine ogen, hoog voorhoofd, brede mond, dikke lippen, spitse kin, x-beenen. Kleding: licht blauw gespikkeld colbertkostuum, lichte Engelse demi-saison (visgraat), bruin beige hoed, zwarte lage schoenen, wit overhemd met witte slappe boord, rode das met spel, bezet met pareltje en diamantje. Hij draagt ook wel een leren jas. Er komen geen reacties, Pieter zit alweer in de VS.

Dankzij de doortastendheid van mr. J. C. V. Meischke, officier van justitie te Rotterdam, wordt hij alsnog in de VS opgespoord. De officier stelt zich in verbinding met W. J. Montyn, consul-generaal der Nederlanden te New York, en inspecteur Beekman neemt contact op met een particuliere relatie, de beroemde criminoloog E. O. Heinrich te San Francisco. Deze laatste licht de Amerikaanse bladen en het persbureau Associated Press in. Door de publiciteit kan hij zich niet langer verschuilen. Hij blijkt als kelner in New York te werken en wordt vastgezet op Ellis Island, de grenspost voor nieuw aankomende immigranten die zich in de Verenigde Staten willen vestigen.

Op Ellis Island ziet hij kans toch weer te ontsnappen. Hij wendt kiespijn voor en bezoekt in gezelschap van een bewaker vier maal een particuliere tandarts te New York. Bij het laatste bezoek weet hij in het gedrang van de menigte in de wachtkamer weg te komen. Spoedig daarop wordt hij wederom aangehouden in het misdadigersmilieu. Men heeft hem toen maar meteen op de boot Veendam naar Nederland gezet. Bij zijn verhoor blijkt dat hij na zijn laatste verblijf in Nederland in Hamburg een Duitse boot heeft genomen die naar Seattle voer. Zo is hij Amerika weer binnengekomen, waar hij wegens handelingen in strijd met de zedelijkheid nog zes maanden gevangenisstraf te goed had. Zonder hem deze straf eerst te laten uitzitten is hij uitgeleverd. 

Nadat hij aanvankelijk ontkent de diefstal in Rotterdam te hebben gepleegd, legt hij uiteindelijk volledige bekentenis af.

Jaarsma draagt ook in de rechtszaal zijn eeuwige smoking. Kranten beschrijven een bleke, ietwat vermoeide heer, met een mager, scherp getekend gezicht, bruine ogen en zwarte, glad naar achteren gekamde haren. Het is echter geheel en al gedaan met zijn zelfbewust optreden. Piter verfrommelt zenuwachtig zijn hoed en antwoordt nauwelijks verstaanbaar op de vragen van de rechters gaf. President: 'Als men de stukken gezien heeft, begint men er toch aan te twijfelen, of u de Nederlandse naam in den vreemde werkelijk zo hoog gehouden hebt.'

De verdediger, mr. W. E. Boeles, zegt in de cel veel met die verdachte te hebben gesproken. Jaarsma toonde een zeer diep berouw: hij vond het vooral buitengewoon gemeen van zichzelf, dat hij het vertrouwen van Rotgans zo beschaamd had. De gewetenswroeging en de felle jacht die de politie op hem hield na zijn vlucht uit Rotterdam, hebben hem 'vreselijke maanden' bezorgd. Hij heeft voorgenomen het geld aan Rotgans terug te geven. Jaarsma is niet zo slecht, als de bedrogen wereld dat voorstelt, maar hij wou nu eenmaal als een groot man uit Amerika terugkomen, betoogt zijn advocaat. Hij kwam in een wereld terecht, waarin het geld rolde en men op groten voet leefde.

Jaarsma sloeg vooral zijn slag bij de Olympische Spelen in Los Angeles Hij maakte handig gebruik van het feit, dat hij bij een auto-ongeluk zijn ruggengraat had bezeerd, zodat men hem als een invalide behandelde. Hij was daar de enige invalide journalist en een zeer populaire figuur. 

En dat niet alleen: In een hotel te San Francisco ensceneerde hij een ongeluk in zijn badkamer. Hij liet de lamp vallen en zei den directeur dat zijn ruggegraat gekwetst was. De hoteldirecteur, bevreesd voor zijn reputatie, betaalde de geƫischte schadeloosstelling van 1500 dollar. Elders speelde hij het klaar een groot bedrag uit den zak van een hoteleigenaar te kloppen door te vertellen dat hij bestolen was. Tegen dergelijke practijken zijn de beheerders van hotels in Amerika verzekerd. Zij konden dus de bedragen die hen door chantage afgeperst waren, verhalen op de verzekeringsmaatschappijen en deze maatschappijen betaalden zonder veel bezwaar uit, daar zij op de clandisie van de groote hotels zeer gesteld zijn. Zo kon Jaarsma telkens opnieuw op onbehoorlijke wijze aan geld komen.

Jaarsma wordt voor het oplichten van Rotgans veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf. Tijdens zijn verblijf in de openluchtgevangenis van Veenhuizen openbaart zich bij Jaarsma een ontsteking aan het ruggenmerg, waardoor hij niet kan lopen of staan. Later wordt hij in de ziekenafdeling van de gevangenis te Groningen verpleegd. 

In 1935 staat Jaarsma weer voor de rechter vanwege de diefstal van een kostbaar schilderij, dat bij een broer van hem in beslag is genomen. Dit schilderij is afkomstig van een inbraak in New Vork, gepleegd bij de schilder Percy W. Muncy. Bij deze inbraak is tevens een partij juwelen en geld stolen. De schilder vermoedt dat Jaarsma deze inbraak heeft gepleegd. 

Kranten schrijven dat hij nog slechts een schim wat eens de illustere avonturier is geweest. Uitvoerig vertelt Pieter dat het schilderij hem in New Vork was gegeven door een schilder, voor wie hij detectivediensten had verricht. De schilder had hem toen bij wijze van beloning een lommerdbriefje gegeven, waarvoor hij met bijbetaling van 3.40 dollar het schilderij in ontvangst genomen had. Het was een opgerold doek geweest met barsten in de verf, het had hem waardeloos toegeschenen. Later, in Rotterdam, had zijn broer er hem 500 gulden op geleend. Percy W. Muncy kent hij niet. De recherche prikt het het verhaaltje door: de schilder die hem het lommerbriefje gaf bestaat niet. 

De officier van justitie, mr. Meiske, eist in verband met de beklagenswaardige toestand van Jaarsma slechts een maand gevangenisstraf. En dat is het laatste wat van hem vernomen wordt. 

Foto: een niet geheel lijkende AI impressie op basis van een portretfoto van Jaarsma.

Meer over Veenhuizen in  het boek Paupers & Boeven.  

 

 

Reacties